×Bezoek ruimtes die normaal gesproken gesloten blijven tijdens de zolderrondleidingen: Upstairs & Downstairs op Duivenvoorde

Blog: Goede Buren

Door Carien Nelissen, Gids op Kasteel Duivenvoorde

In 2025 vierde de Universiteit Leiden haar vierhonderdvijftigste verjaardag. Duivenvoorde neemt dit jaar de lustrum-fakkel over en gedenkt dat het kasteel en omringende landgoed achthonderd jaar bestaan. De laatste vierhonderdvijftig jaar daarvan zijn landgoed en universiteit buren en vanaf de oprichting van de universiteit in 1575 kruisen hun paden elkaar regelmatig. Hieronder een greep uit de bonte lappendeken die hun ontmoetingen tot nu toe vormen. En wie weet wat de toekomst nog in petto heeft?*

De Universiteit Leiden zag op 8 februari 1575 het levenslicht. Arent VII van Wassenaer, in familiekring bekend als ‘de Watergeus’ en de toenmalige eigenaar van Landgoed Duivenvoorde, was daarvan getuige. Hij had aan de zijde van Willem van Oranje, de oprichter van de universiteit, gestreden tegen de Spanjaarden.

De geboortedag van de universiteit (Dies Natalis) wordt sinds 1575 elk jaar gevierd en de vierenveertigste Dies in 1619 werd bijgewoond door Johan van Wassenaer, zoon van Arent VII en in 1600 zijn vader opgevolgd als eigenaar van Duivenvoorde. Het was zijn eerste optreden als curator van de Universiteit Leiden. In november 1618 was hij benoemd in het Curatorium en tot zijn bestuurlijke taken behoorde het orde op zaken stellen in de theologische faculteit nadat daar de strijd tussen de hoogleraren Gomarus en Arminius beslecht was.

Bijschrift: Portret van Johan van Wassenaer door Evert Crijnszn van der Maes, 1608.

Bijschrift: Portret van Jan Gerrit van Wassenaer door Theodor Netscher, c. 1720.

Bijschrift: Portret van Herman Boerhaave door Cornelis Troost, 1735 – collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Vanaf 1707 zwaaide Arent IX van Wassenaer, de oudste achterkleinzoon van Johan, de scepter op Duivenvoorde. In diezelfde tijd verwierf Herman Boerhaave aan de Universiteit Leiden wereldfaam als onder andere botanicus, anatoom en medicus en in die laatste hoedanigheid raakte hij betrokken bij een verdrietige gebeurtenis in de familie Van Wassenaer. Arent IX had een jongere broer, Jan Gerrit van Wassenaer die carrière had gemaakt bij de Admiraliteit van Amsterdam, waar hij het tot luitenant-admiraal bracht.

Jan Gerrit was een levensgenieter; hij nam graag en vaak deel aan uitbundige, wijnovergoten diners (twintig gangen en meer waren gebruikelijk). Op 30 september 1723 werd zijn Bourgondische gedrag hem noodlottig. Na dagen van culinaire festijnen werd Jan Gerrit geveld door hevige pijnen. Herman Boerhaave, vriend van de familie, werd te hulp geroepen maar dat mocht niet baten; de onfortuinlijke Jan Gerrit overleed. Om de oorzaak van het overlijden te achterhalen gaf de familie Van Wassenaer Boerhaave toestemming voor autopsie. Uit het onderzoek bleek dat de slokdarm gescheurd was, het gevolg van langdurig gebruik van braakmiddelen tijdens grote diners om in de maag plaats te maken voor de vele gangen die werden opgediend. De bevindingen van Boerhaave zijn bekend onder de titel Het syndroom van Boerhaave en maken tot op de dag van vandaag wereldwijd deel uit van de opleiding van medische studenten.

Dit op zichzelf al schilderachtige verhaal kreeg zo’n driehonderd jaar later en zesduizend kilometer van Leiden en Voorschoten vandaan nog een verrassend staartje. In 2006 verscheen in het Amerikaanse medische tijdschrift Diseases of the Esophagus [= Aandoeningen van de slokdarm] een artikel van een drietal militaire medici. Als medici zwaaiden zij Boerhaave de lof toe die hem toekomt. Als militairen stoorde het hen echter dat in de naamgeving van het syndroom geen recht wordt gedaan aan de rol van Jan Gerrit van Wassenaer: ‘Without this nobleman’s heroic contemporaneous account, Boerhaave’s celebrated impact on medical science would never have been realized’.1 Zij vonden het de hoogste tijd voor ‘honoring the Admiral’ en riepen op voortaan te spreken van het ‘Boerhaave-van Wassenaer’s syndrome.’

Duivenvoorde is behalve een kasteel met een bouwgeschiedenis van ruim achthonderd jaar ook een landgoed met een eigen flora en fauna, waarop al eeuwen wordt geleefd, gebouwd en geld wordt verdiend om het landgoed in stand te houden. Het kasteel werd tot 2019 bewoond en bevat een indrukwekkende collectie objecten met (kunst)historische waarde. En er is een zeer rijk archief met een schat aan informatie over de levens van de bewoners. Genoeg dus om de nieuwsgierigheid en interesse van de universiteit te wekken. Daarvan zijn allerlei voorbeelden in het archief van Duivenvoorde te vinden.

Zo werd in 1856 een belangrijke archeologische vondst gedaan op het landgoed: ‘[…] een boog van vroegeren tijd, wier ontdekking voor de vaderlandsche oudheidkunde van veel belang is voor de afdeling Germaansche Monumenten’, aldus Conrad Leemans, op dat moment directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden (RMO). Nicolaas Johan Steengracht, de toenmalige eigenaar van Duivenvoorde, droeg de boog over aan het RMO en in verschillende brieven en publicaties putte Leemans zich uit in dankbetuigingen voor deze gift.

Tien jaar later ontving Nicolaas Johan een brief van Heinrich Witte, de hortulanus van de Hortus van de Universiteit Leiden. Hij wees Steengracht op een zeldzaam biologisch fenomeen dat zich op zijn landgoed voordeed: ‘[…] ene Lijsterbes, waarvan de wortels, die vroeger, door den stam van een Wilg naar den grond doorgedrongen waren, nu het karakter van stammetjes hebben aangenomen, sedert die wilg gestorven en weggeruimd is.’ Zou Steengracht erin willen toestemmen om deze lijsterbes met de zo bijzondere groeiwijze naar de ‘akademietuin’ over te brengen en daarmee ‘een wezenlijk geschenk’ te geven?

Helaas bevat het archief van Duivenvoorde noch dat van Heinrich Witte informatie over het vervolg op dit verzoek. Steengracht was op het moment dat hij de brief van Witte ontving ziek en overleed enkele maanden later; de reactie op Witte’s verzoek is er waarschijnlijk niet meer van gekomen.

Meer resultaat leverde in 1943 het contact tussen Duivenvoorde en het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (het huidige Naturalis) op. Dit keer ging het initiatief niet uit van de wetenschap maar van Willem baron Schimmelpenninck van der Oye. Hij erfde in 1912 Duivenvoorde en tot de collectie van het kasteel behoorde een omvangrijke exotische schelpenverzameling van zijn overgrootmoeder, Henriette van Neukirchen genaamd Nyvenheim. Schimmelpenninck van der Oye wilde deze verzameling bewaren voor de toekomst en ging te rade bij het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Het museum ordende de verzameling en ontdekte dat daarin soorten voorkwamen die het museum in zijn collectie miste. Directeur Hilbrand Boschma wendde zich daarom per brief tot Schimmelpenninck met het verzoek deze soorten aan het museum af te staan. En vrijwel per ommegaande liet Schimmelpenninck weten dat hij graag het wetenschappelijk belang diende en de collectie van het museum uitbreidde met een schenking van 57 soorten.

Bijschrift: De schelpencollectie werd door Boschma zorgvuldig in nieuwe dozen verpakt, waarna Schimmelpenninck de schelpen voorzag van hun wetenschappelijke namen.

Schimmelpenninck gaf ook verder een belangrijke impuls aan de relatie tussen Duivenvoorde en de wetenschap. Dat kwam niet primair voort uit academische motieven maar uit een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor Duivenvoorde. Zijn drijfveer was het behoud en beheer van het erfgoed dat hem in 1912 was toevertrouwd. Met onuitputtelijke energie verdiepte hij zich in talloze aspecten van dat erfgoed en riep met vragen daarover regelmatig de hulp in van – vaak Leidse – wetenschappers. Dat leidde tot contacten die Schimmelpenninck in staat stelde zijn erfgoed beter te begrijpen en bewaren; omgekeerd droegen de objecten waarover hij (kunst)historici, archeologen, biologen en andere wetenschappers raadpleegde bij aan het uitbreiden van wetenschappelijke inzichten.2

Niet alleen in bestuurlijk en wetenschappelijk opzicht vonden Duivenvoorde en de Universiteit Leiden elkaar. Toekomstige eigenaren van het landgoed studeerden vaak in Leiden, zo ook Hendricus Adolphus Steengracht die in 1866 Duivenvoorde van zijn vader erfde. In 1860 was hij rechtenstudent en volop actief in het Leidse studentenleven. Tussen 1825 en 1935 werden er in Leiden, net als in andere universiteitssteden, regelmatig Maskerades georganiseerd ter gelegenheid van memorabele momenten in de universitaire geschiedenis. Tijdens een maskerade werd een historische gebeurtenis in een optocht door de stad nagespeeld door leden van het Leidsch Studenten Corps.

De organisatie van deze enorme en kostbare evenementen berustte bij studenten. In 1860 werd ter gelegenheid van de 285ste verjaardag van de universiteit als thema voor de maskerade de intrede van de Hertog van Anjou in Antwerpen in 1582 uitgekozen. Hendricus Adolphus Steengracht maakte deel uit van ‘De Commissie tot regeling der Maskerade’. Tot zijn taken behoorde het schrijven van een uitgebreid verslag van de werkzaamheden van de commissie dat, in de woorden van Steengracht, ‘[…] tot gemak eener volgende C. [= Commissie] ten minste eenige wenken een aanwijzingen bevatten zouden, die naar wij hopen niet geheel ondienstig zullen zijn.’

Het handgeschreven concept van dit verslag bevindt zich in het archief van Duivenvoorde. Het biedt een prachtig inzicht in de omvang en complexiteit van de organisatie. Bladzijde na bladzijde beschrijft Steengracht de contacten met alle betrokkenen. Bijvoorbeeld met een leger aan ‘leveranciers’ die onder toezicht van de Commissie ‘hoofddeksels, kleederen, schoenen, laarzen en beenbedeksels, wagens, geweren, vlaggestokken, vaandels, drapperie’ voor een zo gunstig mogelijke prijs vervaardigden. De verdeling van de rollen onder de studenten (die de kosten van hun kostuums zelf moesten opbrengen) vergde veel tijd en tact. Om de ‘duurte’ van de voor de optocht benodigde paarden te bestrijden werd audiëntie gevraagd bij de Minister van Oorlog en niet tevergeefs:

‘Den Commandant [van de in Leiden gelegerde Artillerie] werd aangeschreven de nodige trompetters en zoveel artilleriepaarden ter onzer beschikking te stellen als wij zouden wenschen. […] Den officieren komt allen lof toe voor de bereidvaardigheid, hulp en voorkomenheid ons bij die gelegenheid betoond.’

Er moest een programmaboek worden gedrukt, medailles worden geslagen, met de burgemeester een datum voor de optocht worden gekozen, met de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij worden overlegd over het treinverkeer op de dag van de optocht. En dat is slechts een greep uit de werkzaamheden van de Maskeradecommissie. Als kasteelheer-in-spé deed Steengracht een schat aan ervaring op die hem in zijn latere leven bij het beheren van Duivenvoorde goed van pas zou komen.

Bijschrift: Menu van het maskeradediner op 22 juni 1860.

In 1905 was Duivenvoorde nogmaals betrokken bij een Maskerade. Nu was die betrokkenheid echter niet van organisatorische aard. In het thema van dat jaar speelde een Duivenvoordse voorvader een rol. De keuze was gevallen op ‘De intogt van Willem III te ‘s-Gravenhage in 1691’ waarbij Arent IX van Wassenaer als vertrouweling van Willem III aanwezig was. Hij was op het moment van de intocht eigenaar van Duivenvoorde.

In de Maskerade-optocht werd de rol van Arent IX gespeeld door een student die zich van tevoren grondig verdiepte in de persoon die hij tot leven moest wekken. Tijdens zijn voorbereidingen ontdekte hij dat Arent IX op Duivenvoorde had gewoond. Hij trok de stoute schoenen aan en schreef op 17 juni 1905 een brief aan Hendricus Adolphus Steengracht, toenmalig eigenaar van Duivenvoorde, met een ‘vrijmoedig’ verzoek:

In de maskerade n.l. hoop ik de rol te vervullen van Arent, Baron van Wassenaer, Heer van Duivenvoorde. Daar nu deze Arent van Wassenaer, volgens de inlichtingen die Baron Wassenaer van Catwijck zoo vriendelijk was mij te verstrekken, geruime tijd van zijn leven op het slot Duivenvoorde heeft doorgebracht en zelfs de laatste bezitter van dien naam van het kasteel is geweest, zou ik het bijzonder aardig vinden, mij in costuum te laten photographeren vóór de ingang van het Huis Duivenvoorde.’

Dit verzoek viel, dat laat zich raden, in goede aarde. Steengracht’s liefde voor Duivenvoorde viel hier op unieke wijze samen met zijn liefde voor de Leidse Maskerade en dat resulteerde in een bijzondere foto.

Bijschrift: Jonkheer mr. Lodewijk Peter Anthony van den Brandeler als Arent IX van Wassenaer op het voorplein van Kasteel Duivenvoorde, 1905.

En dan biedt het archief nog een verrassend staaltje van burenhulp in de ware zin des woords. De aanleiding was een gedenkwaardige gebeurtenis in de geschiedenis van de Universiteit Leiden. Op 10 mei 1946 werd Winston Churchill door de universiteit gelauwerd met een eredoctoraat. De plechtigheid vond onder grote belangstelling plaats in de Pieterskerk en tot de genodigden behoorde Willem baron Schimmelpenninck van der Oye.

Voorafgaand aan deze historische gebeurtenis werd Churchill op 9 mei een ‘Regerings-dejeuner’ aangeboden in de Trêveszaal in Den Haag. De gelegenheid vroeg natuurlijk om een stijlvol gedekte tafel maar blijkbaar waren niet alle attributen daarvoor zo vlak na de Tweede Wereldoorlog voorhanden. Gelukkig schoten de buren van Duivenvoorde te hulp, weten we uit onderstaande brief van de ‘Minister van Buitenlandsche Zaken’. De inhoud daarvan spreekt voor zichzelf en de bijgevoegde foto vormt het overtuigend bewijs.3

Bijschrift: Foto van de gedekte tafel van het Regerings-dejeuner, de uitnodiging die baron Schimmelpenninck van der Oye ontving als dijkgraaf van het Hoogheemraadschap Rijnland om de erepromotie van Winston Churchill bij te wonen en de hulpbrief van minister Jan Herman van Rooijen.

Carien Nelissen

  1. 1. B.D. Adams, B.M. Sebastian en J. Carter, ‘Honoring the Admiral: Boerhaave-van Wassenaer’s syndrome’, in: Diseases of the Esophagus (2006:19) 19, 146–151.
  2. 2. Een uitvoerige beschrijving van de contacten tussen Schimmelpenninck en wetenschappers van diverse aard is te vinden in S. Nieuwenbroek, ‘Duivenvoorde als levenstaak, W.A.A.J. baron Schimmelpenninck van der Oye en het behoud van adellijk erfgoed’, in: C. Gietman e.a., red., Einde van de Adelscultuur? Adellijke overlevingsstrategieën in Duitsland en Nederland, 1918-1955 (Hilversum 2025) 31-58.
  3. 3. De citaten en collectiestukken gebruikt in dit onderzoek behoren – tenzij anders is aangegeven – tot het archief en de collectie van de Stichting Duivenvoorde. Dit archief is raadpleegbaar op afspraak.

Scroll to Top